De componist Pietro Antonio Locatelli

Geschiedenis van het kamerorkest

Bestuur en Leden van het kamerorkest Locatelli

Optreden van kamerorkest Locatelli

Vrienden van Locatelli

 

Kamerorkest Locatelli Landgraaf

 

De componist/violist Locatelli

De violist en componist Pietro Locatelli  (1695-1764) heeft met zijn muziek, maar ook met zijn virtuositeit, die het technisch niveau van de 18de eeuw verre overtrof, grote indruk gemaakt op zijn tijdgenoten. Al van kindsbeen af was het leven van Locatelli, die voor het eerst op veertienjarige leeftijd als violist in het orkest van de kerk van Santa Maria Maggiore is opgetreden, eng met de viool verbonden. Het talent van de jonge violist zou echter ook buiten de grenzen van zijn Noorditaliaanse geboortedorp bekend raken. Hij werd naar Rome gestuurd om les te krijgen op de school van Arcangelo Corelli. Sommige bronnen beweren dat hij bij Corelli zelf gestudeerd zou hebben, maar dit wordt door hedendaagse wetenschappers in twijfel getrokken. Men is nu veeleer van mening dat vermoedelijk Giuseppe Valentini zijn leermeester geweest is. In ieder geval is hij door de Romeinse vioolschool en de Romeinse compositietraditie heel sterk beÔnvloed.

Zijn eerste gedrukte composities verschijnen na zijn 26ste verjaardag, maar na zijn verhuizing naar Amsterdam (1729) kreeg hij daar ten slotte het recht zijn werken voor eigen rekening uit te geven. Zo heeft hij de publicatie van zijn op.2, op.5 en op.8 zelf gefinancierd. Gedurende zijn 35-jarig verblijf in Nederland heeft Locatelli echter niet alleen naam gemaakt door de publicatie van een groot aantal werken, maar ook als gewaardeerd pedagoog. Tot zijn leerlingen behoren o.a. Jacop Pothold en Bernard Lorenziti. Bovendien heeft hij zich beziggehouden met de verkoop van Italiaanse snaren voor strijkinstrumenten en werkte hij ook als corrector van voordrukken van werken van andere componisten, zoals bv. Antonio Vivaldi, Giuseppe Tartini en Jean-Marie Leclair. Vanuit Amsterdam heeft Locatelli ook talrijke concertreizen ondernomen door Duitsland, Frankrijk, Engeland, ItaliŽ en Spanje.
 
Met uitzondering van de twaalf Sonaten voor fluit en basso continuo zijn al zijn composities voor viool, zijn eigen instrument geschreven. Over het algemeen worden ze gekarakteriseerd door twee aspecten: als een componist die zich op het raakvlak van twee tijdperken situeerde was Locatelli altijd ontvankelijk voor technische en formele innovaties, en als vertolker nam hij een uitgesproken provocerende houding aan. Daarom wordt hij vandaag over het algemeen als de vader van de moderne virtuositeit beschouwd. Als violist en als componist verkende hij graag onbekende contreien: zo bewoog hij zich met voorliefde in de hogere en de hoogste registers van zijn instrument. Dit blijkt bv. heel duidelijk uit het Capriccio prova dell'intonatione uit de Sonata op.6/12. De vroege composities van Locatelli zijn onmiskenbaar beÔnvloed door de werken van Arcangelo Corelli en de Romeinse school, alsook door de populaire composities van Antonio Vivaldi. In het bijzonder in de aan kardinaal Camillo Cybo opgedragen twaalf Concerti Grossi a 4 e a 5 op.1 (1721) vindt men de rigoureus contrapuntische stijl van Corelli wiens Concerti grossi op.6 (1714) Locatelli hier ongetwijfeld voor ogen had. Naar het voorbeeld van Corelli deelt Locatelli zijn op.1 in acht Sonata da chiesa en vier Sonata da camera in, die zich in het bijzonder door hun bewogen contrapuntiek onderscheiden. De daarin aangetroffen fuga's, fugati en dubbele fuga's zijn opnieuw het bewijs dat Locatelli vertrouwd was met de Romeinse traditie.

Bij de bezetting van zijn Concerti grossi op.1 heeft hij zich vooral aan het model van zijn leermeester gehouden, maar aan het Concertino ŗ la Corelli (twee violen, cello en clavecimbel) heeft hij telkens een of twee violen toegevoegd, met als gevolg een toename van de middenregisters en daarmee een intensiever en compacter klankbeeld. De meeste Concerti grossi van op.1 hebben vijf delen, maar er zijn er ook met drie delen (Concerto grosso F grote terts op.1/7) of vier (Concerti grossi C kleine terts op.1/11).

Na zijn op.1 slaagde Locatelli er betrekkelijk vlug in zich van zijn voorbeelden los te maken en met eigen stijlmiddelen een nieuwe richting te vinden. Hij wilde vooral het Concerto een meer virtuoze vorm geven. Hij verving de tot dan geldende vierdelige vorm door een driedelige. Hierdoor en door de dubbele thema's in de verscheidene delen heeft Locatelli wezenlijk bijgedragen tot de preklassieke ontwikkeling van de sonata. De vioolconcerto's uit L'arte del violino op.3 (1733), die opgedragen zijn aan de Venetiaanse patriciŽr Girolamo Michele Lin, getuigen van de avantgardistische speltechniek in het werk van Locatelli. Enerzijds herinneren enkele passages aan Vivaldi, anderzijds echter kiest Locatelli voor bijna "vroegromantische" melodieŽn. In enkele concerto's laat hij dan ook de snelle delen gewoon weg. De bijgevoegde 24 Capricci zijn uitgewerkte cadensen, die aan de vertolker zulke hoge technische eisen stellen dat ze ook door de klassieke componisten maar zelden overtroffen werden. Vooral in Frankrijk hebben ze daarom lang een grote invloed gehad op de speltechniek van de viool. Je vindt er dubbelgrepen in, het gebruik van de hoogste registers van de viool en andere tot dusver onbekende technische snufjes, bv. het "staccato-legato" dat nieuwe mogelijkheden biedt voor de strijkstoktechniek. Dit alles werd hem door zijn tijdgenoten niet altijd in dank afgenomen. Toch kan men de 24 Capricci uit zijn Arte del violino op.3 als een indirecte voorloper van de 24 Capricci op.1 van Niccolo Paganini beschouwen.


In zijn telkens zes Concerti op.4 (1735) en op.7 (1741) maakt Locatelli zich los van de strenge vorm die zijn vroegere werk karakteriseerde: voor het eerst ziet men hier een duidelijke ontwikkeling in de richting van het soloconcerto. Zijn zes Sonate a 3 op.5 (1736) en de vier triosonaten uit de Sonate op.8 (1744) stellen minder hoge technische eisen dan zijn L'arte del violino op.3,maar ook hier tref je weer moeilijke dubbelgrepen en een uitgewerkte ornamentiek aan. De twaalf Sonate da camera op.6 (1737) en de zes corresponderende werken uit de Sonate op.8 (1744) zijn ongetwijfeld een mijlpaal in het oeuvre van Locatelli. Hier vind je het resultaat van het samenspel tussen de virtuoos en de innovatieve componist: deze sonaten zijn immers van goot belang voor de ontwikkeling van de sonatevorm. Locatelli representeert een generatie van componisten die zich helemaal situeert tussen barok en de vroeg-klassieke periode. Het hele oeuvre van Locatelli is in 1994 in Londen uitgegeven.


Vandaag houdt de Fondazione Pietro Antonio Locatelli, die in Cremona gevestigd is, zich bezig met de erfenis van deze Italiaanse vioolvirtuoos..